Arbeidsproductiviteit klinkt al snel als een onderwerp voor economen en Den Haag. Sinds het kabinet er opnieuw fors op inzet, staat het begrip weer volop in de belangstelling. Toch raakt de discussie rechtstreeks aan de dagelijkse praktijk van organisaties. Want uiteindelijk wordt productiviteit niet alleen bepaald door economische ontwikkelingen, technologie of het aantal beschikbare arbeidsuren, maar ook door de manier waarop mensen hun werk organiseren.
Voor kenniswerkers betekent dat bijvoorbeeld: hoeveel van hun beschikbare tijd en aandacht gaat naar werk dat daadwerkelijk waarde toevoegt? En hoeveel gaat verloren aan zoeken, schakelen, onduidelijke prioriteiten, overleg en versnippering?
In deze blog vertalen we de actuele discussie over arbeidsproductiviteit naar de praktijk van kenniswerk. Wat betekent de hernieuwde aandacht voor productiviteit voor organisaties en teams? En waar liggen mogelijkheden om productiever te worden zonder mensen simpelweg harder te laten werken?
Het kabinet zet arbeidsproductiviteit weer hoog op de agenda
Op 10 juli 2026 stemde het kabinet in met de tweede Productiviteitsagenda: een pakket maatregelen om Nederland productiever te maken, zodat onderwijs, zorg en andere voorzieningen ook in de toekomst betaalbaar blijven. De agenda richt zich op zes thema’s, waaronder een goed opgeleide beroepsbevolking, een wendbare arbeidsmarkt, en digitalisering, innovatie en adoptie. Ook een slagvaardige overheid met minder regeldruk hoort erbij, met de vraag hoe de overheid zelf slimmer en eenvoudiger kan werken.
Om het kabinet jaarlijks te adviseren gaat per 1 augustus 2026 de Productiviteitsraad van start, onder voorzitterschap van Pauline van der Meer Mohr. De achterliggende ambitie uit het coalitieakkoord is stevig: de economie structureel met 1,5 procent per jaar laten groeien.
De aanleiding voor die urgentie is een cijfer. Volgens het kabinet groeide de arbeidsproductiviteit de afgelopen tien jaar met gemiddeld 0,3 procent per jaar. Dat is minder dan nodig is om de welvaart en publieke voorzieningen op peil te houden.
Waarom dit juist nu urgent is
Er zijn grofweg twee manieren om een economie te laten groeien: meer uren werken, of per uur meer voor elkaar krijgen. De eerste route loopt in Nederland vast. De bevolking vergrijst, en tussen nu en 2040 komen er nauwelijks extra handen bij. We werken bovendien al met veel mensen tegelijk en de arbeidsmarkt is krap.
Dat maakt de tweede route bepalend. Als extra gewerkte uren steeds minder vanzelfsprekend zijn, verschuift de vraag van “hoe krijgen we meer mensen aan het werk?” naar “hoe zorgen we dat mensen hun beschikbare tijd besteden aan werk dat waarde toevoegt?” Voor kenniswerk is dat een lastige vraag, want daar is de productiviteit veel moeilijker te sturen dan aan een lopende band.
Voor organisaties betekent het dat productiviteit niet langer een abstract macro-thema is. Het raakt aan hoe teams hun dag inrichten, hoe ze samenwerken en waar hun aandacht naartoe gaat.
De nuance van DNB: zo slecht doen we het niet
Het beeld dat Nederland structureel achterloopt, verdient tegelijk een genuanceerde blik. De Nederlandsche Bank plaatste in een analyse met de veelzeggende titel “Arbeidsproductiviteit, zo slecht doen we het niet” een paar belangrijke kanttekeningen bij het sombere verhaal.
Twee correcties maken veel uit. De eerste is de afbouw van de gaswinning. Gewerkte uren in de gaswinning leverden lange tijd in verhouding veel op. Sinds de winning in Groningen vanaf 2014 stapsgewijs stopte, daalde de gemeten arbeidsproductiviteit daardoor flink. Laat je die bedrijfstak buiten beschouwing, dan valt de groei meteen hoger uit. De tweede correctie zit in de meetbaarheid. In sectoren als openbaar bestuur, onderwijs en zorg is productiviteit lastig in geld uit te drukken. Kijk je alleen naar sectoren waar de productiviteit goed te meten is, ongeveer twee derde van de economie, dan groeide de Nederlandse arbeidsproductiviteit tussen 2013 en 2023 met zo’n 1,1 procent per jaar, tegen 0,4 procent voor de economie als geheel.
Nederland hoort met zijn arbeidsproductiviteit tot de kopgroep. In 2024 stond ons land op de tiende plaats van de wereldranglijst, met een top 3-positie in de agrarische sector, de industrie en de logistiek. Het grootste verschil met de Verenigde Staten zit vooral in de technologische sector, niet over de hele linie.
De conclusie van DNB is niet “achterover leunen”. De kern blijft dat productiviteitsgroei belangrijk is. Maar een belangrijk deel van de weg naar hogere productiviteit loopt volgens DNB ook via bedrijven zelf. DNB noemt daarbij precies waar het in de praktijk over gaat: investeren in kennis en technologie, administratieve lasten verminderen en werkprocessen slimmer organiseren door een simpele vraag te stellen: moeten we wel alles doen wat we doen?
Waarom kenniswerk een bijzondere uitdaging is
In sectoren waar de productie tastbaar is, is productiviteit relatief eenvoudig te meten en te verbeteren. Bij kenniswerk ligt dat anders. Juist daar blijft productiviteitsverlies vaak buiten beeld: mensen zijn de hele dag bezig, terwijl niet vanzelfsprekend is welk deel van die tijd daadwerkelijk bijdraagt aan het gewenste resultaat.
Dat is een andere vraag dan of mensen hard genoeg werken. De relevante vraag is welk deel van de beschikbare tijd en aandacht terechtkomt bij werk dat waarde toevoegt, en welk deel verdwijnt in zoeken, schakelen, afstemmen, opnieuw beginnen en reageren op wat binnenkomt. In kenniswerk is aandacht daarmee een schaarse hulpbron, minstens zo bepalend als het aantal gewerkte uren.
Wat organisaties zelf kunnen beïnvloeden
Een deel van de arbeidsproductiviteit ligt buiten de invloed van een organisatie: de conjunctuur, de technologische ontwikkeling, de krapte op de arbeidsmarkt. Een ander deel is wel degelijk te sturen, en juist dat deel blijft vaak onbenoemd. Het gaat dan niet om de vraag of mensen hard genoeg werken, maar om hoe makkelijk of moeilijk een organisatie het haar medewerkers maakt om hun werk goed te organiseren.
Op zichzelf zijn mail, Teams of overleg uiteraard niet inefficiënt. De frictie ontstaat wanneer niet duidelijk is waar informatie thuishoort, wat prioriteit heeft en welke afspraken binnen een team gelden. Dan gaat beschikbare capaciteit verloren aan zoeken, dubbel werk en onnodige afstemming. Dat zijn op het eerste gezicht kleine, praktische vragen. Maar juist omdat ze iedere werkdag opnieuw terugkomen, kan de optelsom aanzienlijk zijn.
Voor een HR- of L&D-manager of een directeur zijn dan drie vragen bepalend:
- Hebben mensen voldoende overzicht over wat er van hen wordt verwacht?
- Kunnen zij bewust bepalen waar hun tijd en aandacht de meeste waarde toevoegen?
- Zijn binnen het team heldere afspraken gemaakt over samenwerking, verantwoordelijkheden en communicatie?
Deze drie vragen bepalen voor een groot deel hoeveel van de beschikbare capaciteit daadwerkelijk bij waardevol werk terechtkomt. En het zijn precies de drie gebieden waarop Meereffect werkt: overzicht creëren, bewuste keuzes maken over tijd en aandacht, en heldere afspraken maken binnen teams. In het Slimmer Werken Programma heten die drie Slimmer Organiseren, Slimmer Prioriteren en Slimmer Samenwerken.
AI en een goede manier van werken versterken elkaar
Digitalisering en innovatie vormen een van de zes thema’s van de Productiviteitsagenda, en organisaties investeren op dit moment volop in AI. Dat is verstandig, want AI kan op zichzelf al tijd besparen. De vraag is niet of organisaties daarmee moeten wachten tot hun manier van werken perfect op orde is, maar hoe technologie en werkwijze elkaar versterken.
Het rendement op technologie hangt af van de context waarin ze wordt ingezet. Wanneer onduidelijk is wat het gewenste resultaat is, wie ergens verantwoordelijk voor is of welk werk prioriteit heeft, lost technologie die onduidelijkheid niet vanzelf op. Een efficiënter hulpmiddel binnen een onduidelijk proces levert niet automatisch een efficiënter proces op. Andersom kan technologie juist veel waarde toevoegen wanneer de basis op orde is.
De interessante vraag voor organisaties is daarom niet alleen welke technologie medewerkers kunnen gebruiken, maar ook welke manier van werken die technologie moet ondersteunen.
Van arbeidsproductiviteit naar een concrete eerste stap
De discussie over arbeidsproductiviteit gaat over grote thema’s: economische groei, arbeidsmarktkrapte, innovatie en de betaalbaarheid van publieke voorzieningen. Voor individuele organisaties hoeft het startpunt echter niet groot te zijn.
Een eerste stap is kijken waar in het dagelijkse werk onnodige capaciteit verloren gaat. Waar moeten medewerkers zoeken? Waar wordt werk dubbel gedaan? Waar ontstaat onnodige afstemming? Waar bepalen binnenkomende berichten de agenda? En waar zijn verantwoordelijkheden of prioriteiten onvoldoende duidelijk?
Dat maakt arbeidsproductiviteit concreet. Niet als oproep om mensen harder te laten werken, maar als vraag hoe je ervoor zorgt dat een groter deel van de beschikbare tijd en aandacht terechtkomt bij werk dat daadwerkelijk waarde toevoegt.
Dat is het terrein waarop Meereffect werkt.
Hoe Meereffect hierbij helpt
Met het Slimmer Werken Programma helpt Meereffect organisaties om die basis op orde te brengen. De drie onderdelen sluiten aan op de drie vragen uit dit artikel. Slimmer Organiseren richt zich op overzicht, Slimmer Prioriteren op bewuste keuzes over tijd en aandacht, en Slimmer Samenwerken op heldere afspraken binnen teams. De aanpak is gericht op duurzame gedragsverandering, zodat medewerkers na afloop daadwerkelijk anders werken.
De trainingen zijn beschikbaar als open inschrijving voor individuele deelnemers en als incompany traject voor teams en afdelingen die samen dezelfde manier van werken willen ontwikkelen.
Wil je eerst meer achtergrond? Lees wat is persoonlijke effectiviteit? of ontdek vijf werkgewoontes die het verschil maken.